|
|
| |
Kunst uit de kolonies |
|
| |
Ongeveer 25 miljoen kunstvoorwerpen uit voormalige kolonies staan in westerse musea. Moeten ze terug? Of is financiële compensatie een optie? Kunstvoorwerpen uit de kolonisatieperiodes worden nu anders gewaardeerd dan vroeger. Tentoonstellingsmakers leveren veel inspanningen om collecties op politiek correcte wijze te tonen en in een juist kunsthistorisch perspectief te plaatsen. Toch gaat er vaak iets mis. Bij de opening van het Parijse Musée de Quai Branly vonden Afrikaanse kunstkenners dat Afrika als een continent zonder geschiedenis, met vooral mooie natuur wordt gepresenteerd. Ook de twee Nigeriaanse nokbeeldjes leidden tot commotie. Ze staan op de rode lijst van de International Council of Museums (ICOM). Er mag niet in gehandeld worden. Frankrijk zegt echter dat het eerlijk betaald heeft. Het bepalen van de rechtmatige eigenaar is bij dit soort objecten nogal ingewikkeld. Kolonisatie ging vaak gepaard met strijd en tot voor kort was het normaal dat een overwinnaar recht had op de kunstschatten uit verworven gebied. Maar die opvattingen veranderen.
|
|
|
|
|
| |
Er zijn diverse verdragen opgesteld om cultureel erfgoed te beschermen, waarvan het Unesco-verdrag uit 1970 het belangrijkst is. Het verbiedt onrechtmatige in- en uitvoer en eigendomsoverdracht van cultuurgoederen en kwam tegemoet aan de vraag van ontwikkelingslanden. Daar groeit het identiteitsbesef en de rol die cultureel erfgoed daar in heeft. Groot probleem bij de naleving van verdragen zijn de juridische implicaties er van. Zo is het Unesco-verdrag in Nederland pas in 2004 geratificeerd, waardoor wetgeving pas recent -34 jaar later- mogelijk werd. Daarnaast zeggen sommige musea simpelweg dat bepaalde voorwerpen tot hun erfgoed zijn gaan behoren. De Parthenon Marbles -Engelsen zeggen Elgin Marbles- van het British Museum zijn daarvan het bekendste voorbeeld. Het idee om voormalige koloniën financieel te compenseren voor kunstroof is nauwelijks bediscussieerd. Het British Museum heeft meer dubiues verkregen bezit, zoals de in 1890 verworven collectie bronzen beelden uit Benin. Moeten die niet terug? “Het was toch oorlog?”, kaatst Jonathan Williams van het British Museum terug. “En het Unesco-verdrag dateert uit 1970, dus waar hebben we het over?” Het grootste museum ter wereld, jaarlijks 5 miljoen bezoekers, voelt zich dan ook moreel niet bezwaard. “Wij werken veel samen met Afrikaanse musea en ons is nog nooit om teruggave gevraagd.” Van financiële genoegdoening wil Williams niets weten. “Het gaat niet om geld, maar om kennisdeling en uitwisseling.” In Afrika is Samuel Sidibé, directeur van het Nationaal Museum van Mali, een van de voorvechters van bescherming van cultureel erfgoed. Hij is terughoudend. “Compensatie lijkt me complex en niet het eerste belang van Afrikaanse musea. Wij moeten collecties tonen. Daarvoor is samenwerking belangrijker dan geld.” George Abungu, voormalig directeur van het Nationaal Museum in Kenia is het daarmee oneens “Mijn standpunt is al jaren dat westerse musea ons geëxploiteerd hebben en hun verantwoordelijkheid eindelijk eens moeten nemen. Ik zie niet in waarom ICOM zich niet over zo’n retributiesysteem zou buigen.” Bernice Murphy van de ICOM: “Sympathiek idee, maar niet realistisch en veel te complex. Samenwerking is effectiever.” Susan Legêne van het Tropenmuseum, spreekt tijdens het jaarlijkse congres van de ICOM in Wenen dat komende week plaatsvindt over de rol van cultureel erfgoed in de nationalistische politiek. “Ik relativeer de vraag van wie bezit wat en waar hoort het, en stel voorop wat die kunst betekent”, aldus Legêne. Dat laatste is het meest ingewikkeld. “Musea kun je beschouwen als onroerend goed; kunstvoorwerpen zijn roerende goederen. De waardering en het denken er over verandert. Ik vind dat de interactie tussen collectie en bezoeker het meest relevant. Je moet vooral kijken waar die interactie het beste kan plaats vinden.” Ook Legêne is geen voorstander van een retributiesysteem. “Het is onmogelijk om van kunstvoorwerpen de waarde vast te stellen. Bovendien komen ze dan ook in de economie terecht, terwijl wij vinden dat ze daar buiten moeten blijven.” Maar waarom zou er niet per verkocht kaartje in musea die voorwerpen uit koloniale tijden bezitten, bijvoorbeeld één euro naar een fonds kunnen gaan dat de opbrengsten verdeelt over voormalige gekoloniseerde gebieden? “Dan ga je een rekening opmaken van de geschiedenis in geld. Dat is een onmogelijke rekensom waarbij je bijvoorbeeld leed moet gaan afwegen versus schoonheid. Het kan bovendien koloniale verhoudingen bestendigen. Wel ben ik van mening dat de huidige verblijfplaats van objecten uit voormalige koloniën in westerse musea niet perse gezien moet worden als een eindpunt. Dat komt ook in Wenen aan de orde en is denk ik een nieuw element in de discussie.” Het is zonneklaar dat Afrikaanse musea in een afhankelijkheidspositie zitten. Als zij zich uitspreken voor financiële compensatie torpedeert dat samenwerking met westerse musea en uitwisseling van kunstobjecten. Het arrogant uitgedragen standpunt van het British Museum is een hek-van-de-dam-theorie, gevoed door de angst dat straks het museum leeg is. Feit blijft dat westerse musea goede sier maken met veelal dubieus verkregen voorwerpen. Zij lijken niet bereid zich te buigen over financiële compensatie en verschuilen zich achter allerlei uitspraken over samenwerking. Afrikaanse musea hebben weinig machtsmiddelen. Het Unesco-verdrag heeft beperkte slagkracht. |
|
|
|
|
| |
|
|
| |
|
|
|
|
|